Hollandse pedalen
Introduction
We weten steeds meer over allerlei onderwerpen. Het is boeiend, soms zelfs fascinerend, maar het roept vanzelfsprekend weer nieuwe vragen op. Zo bieden de resultaten van onderzoek in de orgelbouw steeds meer gegevens over materiaalgebruik, vorm en afmeting van alle onderdelen en zelfs het werkproces van verschillende bouwers uit de geschiedenis. Gecombineerd met de ervaring van de huidige orgelbouwers biedt dat de mogelijkheid orgels tot in detail te beschrijven en te plannen, te restaureren en te construeren.
Maar daar worden soms wat gemakkelijk één op één conclusies over orgelspel aan gekoppeld: de afmetingen van boventoetsen bepalen de vingerzettingen, disposities de registraties en stemmingssystemen het geschikte repertoire. Het is verleidelijk de concrete gegevens en werkmethodes uit de orgelbouw ook toe te passen op het orgelspel. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het voorbijgaande karakter van het musiceren, het moment van spelen en luisteren dat zowel tijdgebonden is als tijdloze ervaringen kan oproepen.
De omgang met de instrumenten, het bespelen, blijft uiteindelijk het terrein van musici. In de omgang met het repertoire blijken er vaker onzekerheden te zijn waarover de musicus een keus moet maken die, meer dan in de orgelbouw, niet alleen gebaseerd is op feiten, maar op begrip van en gevoel voor muzikale processen, repertoirekennis, luisterervaring en persoonlijk talent. Daarom zijn uitvoeringen van verschillende spelers altijd anders en zal dezelfde speler op verschillende orgels ook anders spelen.
Een onderwerp waarin enerzijds orgelbouwkundige feiten (naast bronnen over uitvoeringspraktijk) duidelijke keuzes lijken op te dringen, en waarover anderzijds in de muzikale praktijk desondanks vragen en verschillende benaderingen ontstaan, is het pedaalspel.
Alleen al de fysieke verschillen tussen mensen spelen een rol.
Lange organisten kunnen soms met moeite hun knieën kwijt onder het onderste manuaal en moeten steeds kiezen of ze de benen naar links of naar rechts zullen buigen om niet klem te komen zitten. Kleinere spelers, zoals de vele vrouwelijke Aziatische orgeltalenten, kunnen juist niet bij de buitenste pedaaltoetsen zonder op de bank te verschuiven.
Er zijn maar weinigen die de gestandaardiseerde pedaaltechniek, zoals die vooral sinds Dupré wordt aangeleerd, in de praktijk kunnen toepassen. Het onbeweeglijk recht op de bank zitten, de knieën bij elkaar, de punten licht omhoog getrokken en overal op dezelfde plek op de toets geplaatst, de bank wat lager om met de hak te kunnen spelen – het ziet er misschien beheerst maar zeker niet ongedwongen uit – is niet altijd en overal te realiseren.
Uiteindelijk bepalen vooral de verschillen in de afmetingen van de pedalen onze pedaaltechniek. De meeste pedalen zijn immers niet standaard. Daarom zijn we gedwongen ons aan te passen, zeker in Nederland, waar ook de meeste orgels waar op geconcerteerd wordt geen modern pedaal hebben. Tot op zekere hoogte redden we ons er mee, maar het levert beperkingen op die optimaal musiceren in de weg staan.
Het kan helpen de ontstane situatie in beeld te brengen, maar zo op te vatten dat er – letterlijk – bewegingsruimte ontstaat die het pedaalspelen niet bindt aan voorschriften maar aan mogelijkheden en aanpassingen door inzicht in al die verschillen.
De bank
Hoewel de bank geen vast onderdeel is van het pedaal, biedt het de enige mogelijkheid om de speelhouding voor het pedaalspel aan te passen. Het eerste wat een organist dan ook doet als hij op een orgel komt is de bank in de juiste positie zetten.
Soms is de hoogte van de bank verstelbaar of met latjes aan te passen. Daarmee wordt natuurlijk mede de positie ten opzichte van de manualen bepaald, wat tot een zeker compromis zal leiden. Maar vooral bij oudere orgels, soms nog met de historische bank, valt er weinig aan te passen. Bepaalde stukken wordt lastig uitvoerbaar, andere blijken ondanks de beperkingen prima te doen en kunnen juist de kwaliteiten van het orgel beter doen uitkomen.
Tijdens een excursie naar het Volckland-orgel (1732-1737) in de Cruciskirche in Erfurt bleek dat er bij de restauratie een nieuwe bank was gemaakt. Tot verbazing van ons gezelschap bleek de originele oude bank ergens terzijde nog op de orgelgalerij te staan. Behalve de wat verweerde verflaag mankeerde er niets aan. Maar opvallend was dat de oudere bank hoger was. Kennelijk was er een lagere bank gemaakt om met moderne voetzettingen te kunnen spelen (hoewel het pedaal maar tot c’ gaat). Zittend op de oude bank hingen de voeten hoger en met de punt naar beneden, de hakken konden nauwelijks bij de toetsen.
Het leidde tot interessante experimenten met als uitkomst dat hak-spel niet mogelijk was, het kruisen van de voeten juist gemakkelijker werd, en in sommige passages het naar links of rechts verschuiven op de bank onvermijdelijk was.
Dergelijke ervaringen zullen de meeste organisten kennen, waarbij net zo goed lessen geleerd kunnen worden bij het spelen op latere pedalen.

Bij veel banken zijn de zijsteunen onderaan of halverwege verstevigd door een balk onder de zitting. Om ons wat bewegingsruimte te gunnen wordt de bank vaak zo geplaatst dat de balk aan de achterkant zit (hoewel dat misschien niet de bedoeling was van de bouwer). Als de balk halverwege is geplaatst gebruiken we dat vaak om onze voeten op te laten rusten.
Maar soms zit er ook aan de voorkant onderaan een balk of is er zelfs een brede plank gebruikt. Dat beperkt de mogelijkheid om de voeten onder de bank te trekken, wat bij het kruisen van de voeten nodig is. Het voelt dan comfortabel om de hakken op die balk of plank te laten rusten en alleen met de punten op de ondertoetsen te spelen, links in het onderste octaaf, rechts in het bovenste. Het beperkt de technische mogelijkheden, maar organisten indertijd zullen zich daarover minder zorgen hebben gemaakt, hoewel 19e eeuwse orgelmethodes het afwijzen.
Pedaal dorpsorgel Witte, Rijswijk Gld., 1875, met nog een lichte krul aan de boventoetsen (schoenmaat 42).
Als er muziek gespeeld wordt die meer technische uitdagingen vraagt, zoals de muziek van Bach, ligt de conclusie voor de hand dat op die pedalen deze muziek nooit is gespeeld. Maar als een historiserende orgelbouwkundige keus bij nieuwe orgels ons beperkt om die muziek te spelen, ontstaat er een tegenspraak tussen de wensen van instrumentenmakers en spelers. De speler stelt dan de vraag of bijvoorbeeld Bach zijn vingerzettingen bij het spelen met veel voortekens in zijn Wohltemperiertes Clavier ook niet zal hebben aangepast, zelfs een gunstiger afmeting van de boventoetsen hebben bedongen? Zonder latere technieken te propageren om die muziek te spelen, zal vooruitstrevende muziek in alle tijden invloed hebben gehad op ontwikkeling in de instrumentenbouw.
In de steden was er meer ontwikkeling dan in de dorpen, zoals ook blijkt uit de verschillende stemmingsvoorschriften van Neidthardt (1732/1734, grosse/kleine Stadt). Dorpsorganisten speelden wellicht hooguit met twee voortekens, waardoor zelfs de middentoonstemming tot in de 19th eeuw voldeed. Orgels in dorpen zijn in de loop der tijd minder gemoderniseerd, waardoor ze een belangrijke bron zijn voor de historiserende orgelbouw. Maar de charmante smalle orgelbanken geven niet voldoende steun bij het spelen van een triosonate. Archaïserende keuzes op basis van historische voorbeelden in nieuwgebouwde orgels lijken soms authentieker, maar als de partituren van vooruitstrevende en virtuoze organisten indertijd de grenzen lijken te verleggen, willen de huidige organisten natuurlijk de mogelijkheden krijgen die muziek ook nu adequaat uit te voeren.
Toetsafstand
Op het oog is afstand tussen de toetsen soms moeilijk te bepalen, omdat de breedte van de toetsen ook de tussenruimte bepaalt. Smalle latten lijkt daardoor verder uit elkaar te liggen, hoewel de octaaf-afstand normaal kan zijn.
Bij veel Nederlandse orgels is de omvang nog ouderwets, van C tot d’. Pas later werd f’ de hoogste toets, onder Franse invloed soms zelfs g’. Voor wie dat niet gewend is, is het dan onvermijdelijk af en toe te kijken of de voeten bij de hoogste toetsen wel op de juiste plek staan.
Als de hoogste toets oorspronkelijk c’ is, worden er bij restauraties soms een cis’ en d’ aan toegevoegd, die door middel van de pedaalkoppel klank geven, maar zonder de pedaalregisters.
De afstand tussen de hoogste en laagste toets is niet overal hetzelfde. Wie in Nederland de brede oude Bätz-pedalen kent (Woerden, Den Bosch) weet hoeveel verschil dat kan maken.
Als pedalen later zijn uitgebreid, zijn er aan de rechterkant toetsen toegevoegd, die verder weg liggen dan wanneer op een nieuwgebouwd orgel een uitgebreid pedaal is geplaatst.
Bij pedalen met een grotere omvang liggen de toetsen iets dichter bij elkaar dan bij een traditionele omvang. Vooral bij grote sprongen kan dat riskant zijn en controle met het oog is dan nodig. Zoals de pianisten spreken over de oog-hand-coördinatie, zo hebben organisten de oog-voet-coördinatie nodig om zich te kunnen aanpassen aan de verschillende pedalen.

In Nederland komen ze niet veel voor, maar de afstand tussen de toetsen kan aan de voor- en achterkant verschillend zijn: de radiaalpedalen, in de Angelsaksiche orgelwereld gebruikelijk.
De toetsen liggen onder de bank dichter bij elkaar (overigens niet altijd in dezelfde mate), wat het spelen met de hakken makkelijker maakt. Maar de voeten moeten overal op dezelfde plek op de toetsen staan, anders is de afstand tussen de toetsen steeds anders, wat uiterst verwarrend kan zijn.
Een kleine concessie aan de radiale pedaalvorm in moderne parallelle pedalen is de verlenging van de buitenste boventoetsen, die immers het verste weg liggen. Het is eenvoudig om ons daaraan aan te passen, tenzij men er aan gewend is en op een pedaal met een traditionele vorm toch verder moet reiken.
Boventoetsen
De vorm en afmeting van de boventoetsen kunnen zeer verschillend zijn. De hoogte is bij de klassieke vorm iets hoger dan bij de pedalen die ingericht zijn op het spelen met de hakken. De voorkant van de boventoets is bij oudere pedalen vaak voorzien van een krul, die bij schoenen met lange punten soms een verraderlijke klem vormt. Bij latere pedalen is de voorkant schuin en afgerond, soms in die mate dat het nauwelijks merkbaar is waar de boventoets begint, wat oriëntatie op het gevoel niet makkelijker maakt.
De ligging van de boventoetsen is belangrijk, omdat het houvast geeft bij de oriëntatie op het klavier. Door de onregelmatige verdeling met tussenruimten kunnen we voelen waar we zijn op het pedaal. Sommige docenten leren het zelfs aan als methode om zonder te kijken pedaal te leren spelen.
Overigens is het af te raden bij het aanleren van het pedaalspel onmiddellijk zonder kijken, alleen op de tast te laten spelen. Juist het opbouwen van de ruimtelijke oriëntatie door de ogen te gebruiken is noodzakelijk, zoals we ook onze ogen gebruiken als we een onbekende trap betreden. Het kan goed werken om eenvoudige sequenzen uit het hoofd op het pedaal te laten spelen, met aandacht voor de ligging van de boventoetsen in verschillende toonsoorten. Vaak beseft men niet dat bij het verplaatsen van één voet bijvoorbeeld de terts-afstand D-Fis even groot is als de kwart D-G, wat gevoelsmatig niet logisch is, maar op het oog onmiddellijk duidelijk wordt. Het innerlijke beeld van de afstanden dat zo ontstaat wordt op den duur de referentie bij het spelen zonder kijken.
Toetslengte
De lengte van de pedaaltoetsen was in het verleden korter dan vanaf ongeveer de tweede helft van de 19th eeuw. Het liet alleen spel met de punten toe, die gezien de gemiddelde lengte van de mensen in die tijd en de hoogte van de banken eerder naar beneden gehangen zullen hebben. Door de kortere toetslengte was de diepgang ook minder groot. Dat laat wel een nauwkeuriger beweging toe. De mogelijkheid tot nuancering bij het pedaalspel is gunstiger dan bij moderne pedalen met meer diepgang. Bij een zijdelingse beweging van een voet naar een volgende toets ontstaat maar een kleine opening. Maar zelfs wanneer de hak wordt gebruikt (soms handig aan de randen van het pedaal), klinkt de verbinding tussen de noten soepeler .
Ook bij oudere orgels was de toetslengte verschillend. Jan Jongepier publiceerde al eens een foto van een moderne schoen op oude pedalen. Hij maakte daarmee duidelijk dat bij dorpsorgels de toetslengte korter was dan bij orgels met een zelfstandig pedaal. Het kruisen van de voeten is bij iets langere toetsen goed mogelijk.
Ligging
Een lastige situatie doet zich voor als het pedaal op een afwijkende manier onder het manuaal ligt. Een veel voorkomende positie is de d klein van het pedaal onder d’ van het manuaal, maar het komt ook voor dat voor oriëntatie op de c’s is gekozen. Als de oorspronkelijk pedaaldeling (de afstand tussen de aanhechtingspunten van de pedaalmechaniek bij de bouw van het orgel) niet aangepast kan worden, ontstaan er soms behoorlijk afwijkende liggingen bij de plaatsing van een nieuw pedaal. Op het oog is dat goed te controleren, er komen zelfs afwijkingen van een terts voor. Tijdens het spelen zullen de ogen actiever moeten meewerken dan we gewend zijn.,
Positie ten opzichte van de manualen.
Bij klassieke orgels steken de manualen niet ver uit de orgelkas. Het knieschot, het paneel tussen de manualen en het pedaal, staat er loodrecht onder. De positie van het pedaal ten opzichte van de klavieren ligt daarmee vast. De breedte van de teenlat, waarop de organist zijn voeten kan laten rusten, geeft nog enige speling. Om het pedaal niet te ver naar achteren te plaatsen is er soms maar een smalle teenlat, die weinig steun geeft en de houding niet makkelijker maakt.
Bij latere orgels steken de klavieren verder uit de kast, is het knieschot schuin geplaatst zodat het pedaal verder onder de klavieren komt te liggen, is de teenlat breder en zijn er zelfs tredes voor koppelingen en combinaties en natuurlijk een zweltrede.
De organisten konden de bank naar voren zetten en met hun knieën verder onder de klavieren, de voeten meer naar voren en een wat lagere bank ook makkelijker hun hakken gebruiken.
Spelen op Hollandse pedalen
In Nederland werden nog tot ver in de 19th eeuw rechte pedalen gemaakt in de klassieke positie. Pas geleidelijk aan veranderde de ligging ten opzichte van de klavieren. De overheersende invloed van de Duitse muziekwereld, aanvankelijk sterk georiënteerd op Mendelssohn, dwong de organisten niet tot een wezenlijk andere pedaaltechniek. Natuurlijk was het gebruik van de hak inmiddels ingeburgerd. Maar Ritter spreekt in zijn Orgelschule nog zijn voorkeur uit voor het spel met afwisselende voeten boven het gebruik van de hak. Ook in de virtuoze Etudes (Tägliche Übungen, 1899) en Sonates (editie Valeur Ajoutee) van S. de Lange junior (1840-1911), wordt het gebruik van de hak eerder vermeden en kruisen de voeten waar mogelijk:

Samuel de Lange jr., Sonate 7.
Opvallend is de rechtervoet op de 2de noot, over de linkervoet heen, evenals rechts onder links langs in de laatste triool van de volgende maat. Een ‘moderne’ organist zou er liever een hak bij gebruiken.
En Mendelssohn past het tweede thema van het slotdeel van de 4de sonate uiteindelijk toch aan, om het makkelijker te kunnen spelen met punten (hoewel in deze toonsoort de voeten ook in secundegangen vrijwel steeds afwisselend kunnen spelen) .

Mendelssohn, Sonate 4 deel 4 (fuga-thema: eerste versie en vereenvoudigde gedrukte versie)
Pas aan het eind van de 19th eeuw en in de eerste helft van de 20ste eeuw werden de pedalen gemoderniseerd, hoewel tegenwoordig bij restauraties weer aansluiting wordt gezocht bij de oorspronkelijk vorm. Maar er zijn geen gestandaardiseerde afmetingen, zoals bij pianoklavieren. Voor de huidige organisten is de aangeleerde pedaaltechniek daarom vaak niet toereikend om op alle orgels met gemak te kunnen spelen.
Op veel Hollandse pedalen lijken de voetzettingen die Samuel de Lange jr. voorstelt beter geschikt dan wat in de Franse methodes van Dupré, en in navolging daarvan bij Flor Peeters, als ideaal wordt gepresenteerd. De Lange was organist op een middelgroot Witte-orgel in de Waalse Kerk in Rotterdam, met twee klavieren en een pedaal met slechts 4 registers. Hij gebruikt in zijn composities de voeten vaak op de Bach’se manier, afwisselend, met vermijding van secundes. Als hij toch toonladder-figuren noteert, staat daarbij meestal ook een voetzetting met wisselende voeten. Hij benut het gegeven dat in sommige toonsoorten de voeten elkaar kunnen kruisen als de ene voet een boventoets speelt en de andere achterlangs kan passeren.
In de toonsoort van D groot gaat dat volgens De Lange (Finale uit Sonate 4) zelfs in deze passage kennelijk prima:

Pas bij de laatste noten schrijft hij een hak voor.
Wat aanleiding is tot een terugblik op de pedaaltechniek in Bach’s Preludium en Fuga BWV 532, eveneens in D groot. Het openingsmotief lijkt bewust gebruik te maken van de ligging van de boventoetsen, die uitnodigt daar de voeten te kruisen (alleen bij de a moet links over rechts heen).

Ook het Fuga-thema en de solo aan het eind kunnen zo worden uitgevoerd.
In deze situaties lukt het niet goed om met de knieën recht naar voren en in het midden van de bank te blijven zitten, zeker als we ons realiseren dat de pedalen vroeger wijder waren (de hoge d’ lag ongeveer waar bij een modern pedaal de f’ ligt).
Het is nodig om te draaien en soms zelfs te verschuiven, zeker voor kleinere organisten.
Bij de toonladder aan het begin van het Preludium is het handig als de knieën naar rechts gedraaid worden, met de rechterknie tegen de bank aan, zodanig dat links vanuit die positie al de cis’ kan bereiken. De eerste paar toetsen zijn dan minder goed te zien, maar de laatste des te beter. Bovendien is er in deze schuine positie meer ruimte om de voeten te kruisen.
Dit draaien op de bank is een techniek die onvermijdelijk vaker toegepast zal moeten worden bij het spelen op klassieke pedalen. Liefst niet op het moment dat we dreigen ons evenwicht te verliezen, dan is het te laat, maar op een geschikt moment kort daarvoor. Vaak kan op een langere noot met steun van de toets worden afgezet om een kleine draaibeweging te maken. Het is zelfs verstandig om dat moment in te studeren en eventueel in de partituur aan te geven.
Bij de thema-inzet in fis is het nodig iets naar rechts te verschuiven, om de a met links achter de rechtervoet langs te kunnen spelen.:

Bij de pedaalsolo aan het slot van de Fuga is het zelfs behulpzaam om bij voorbaat naar links te verschuiven. De handen zijn daar vrij om de voorkant van de bank vast te pakken en te helpen verschuiven, ook terug naar rechts om de hoge noten weer met gemak te kunnen spelen.

Deze technieken zijn ‘verboden’ in de moderne pedaalmethodes, maar onmisbaar om op Hollandse pedalen uit de voeten te kunnen. Elke organist zal varianten ontdekken en aanpassingen moeten doen die noodzakelijk zijn om onbekommerd op verschillende orgels pedaal te kunnen spelen.
Het blijkt handig te zijn om vaker punten te gebruiken, mee te draaien met de ligging van de pedaalpartij terwijl de schouders evenwijdig met de klavieren blijven en waar nodig iets naar links of rechts te verzitten, hoewel langere organisten juist vaker een hak zullen gebruiken als er te weinig ruimte is onder de klavieren om de voeten te laten kruisen.
Een standaard-pedaaltechniek zit ons vaak in de weg, maar er zijn genoeg manieren om ons pedaalspel op Hollandse pedalen aan te passen aan onze eigen mogelijkheden.